ECLI:NL:GHAMS:2018:173

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 januari 2018
Publicatiedatum
23 januari 2018
Zaaknummer
200.218.791/01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 1 GerechtsdeurwaarderswetArt. 39 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing klacht gerechtsdeurwaarder

Klaagster heeft een klacht ingediend bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen een gerechtsdeurwaarder. De plaatsvervangend voorzitter van deze kamer heeft de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond. Klaagster is vervolgens in hoger beroep gekomen tegen deze beslissing.

Het hof heeft beoordeeld of het hoger beroep ontvankelijk is. Volgens artikel 39 lid 2 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet kan tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer tot afwijzing van een klacht alleen binnen veertien dagen na verzending van de kennisgeving schriftelijk verzet worden gedaan bij de kamer zelf. Tegen deze beslissing staat geen ander rechtsmiddel open.

Daarom oordeelt het hof dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. De zaak is behandeld zonder dat partijen verschenen. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de afwijzing van de klacht door de plaatsvervangend voorzitter van de kamer.

Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van haar klacht.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.218.791/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/616863 DW RK 16/1108
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 januari 2018
inzake
[appellante] ,
wonend te [plaats] ,
appellante,
tegen
[geïntimeerde] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellante (hierna: klaagster) heeft op 6 juli 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) als bedoeld in artikel 39 lid Pro 1 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) van 27 juni 2017.
1.2.
De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond afgewezen.
1.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 17 juli 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.
1.4.
Klaagster en de gerechtsdeurwaarder hebben het hof vooraf laten weten niet te zullen verschijnen. Het hof heeft de zaak, voor wat de ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep betreft, op 21 december 2017 buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer behandeld.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.De ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep

3.1.
Klaagster heeft bij brief van 14 oktober 2016 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 27 juni 2017 de klacht van klaagster afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen die beslissing is klaagster nu in hoger beroep gekomen.
3.2.
Ingevolge artikel 39 lid 2 Gdw Pro kan tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer tot afwijzing van een klacht binnen veertien dagen na de dag van verzending van de kennisgeving schriftelijk verzet worden gedaan bij de kamer. Tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer staat geen ander rechtsmiddel open.
3.3.
Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.
3.4.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

4.Beslissing

Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 27 juni 2017.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2018 door de rolraadsheer.