Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
–voor zover hier van belang – ouder van:
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter waarin de kinderen onder toezicht zijn gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. De moeder en haar kinderen verblijven in Marokko, terwijl de kinderen ook de Nederlandse nationaliteit bezitten en in Nederland staan ingeschreven. De moeder betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Marokko hebben.
Het hof heeft vastgesteld dat de kinderen na een korte periode van verblijf in Nederland weer sinds twee maanden in Marokko verbleven op het moment van indiening van het verzoek. De kinderen spreken nauwelijks Nederlands, hebben voornamelijk familie in Marokko en zijn daar ook naar school gegaan. Dit leidt tot de conclusie dat de gewone verblijfplaats van de kinderen op dat moment in Marokko was.
Omdat Marokko geen lidstaat is van Brussel II-bis maar wel van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, is het laatstgenoemde verdrag van toepassing. Dit betekent dat de Marokkaanse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het hof vernietigt daarom de bestreden beschikking en verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen die hun gewone verblijfplaats in Marokko hebben.