Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter inzake bijstandsfraude. Verdachte werd verweten in de periode van januari 2012 tot januari 2017 opzettelijk inkomsten te hebben verzwegen die van belang waren voor de vaststelling van haar recht op bijstand.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder onrechtmatig verkregen bewijs wegens gebrek aan informed consent bij een huisbezoek, het ontbreken van cautie en het niet informeren over het recht op consultatie van een advocaat. Het hof oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was omdat verdachte toestemming had gegeven na volledige informatie. Wel werd een deel van de verklaring tijdens het huisbezoek uitgesloten wegens het ontbreken van cautie nadat verdenking ontstond. De verklaring van 11 januari 2017 werd eveneens uitgesloten. Het recht op consultatie bij een controle door een toezichthouder werd niet toegekend.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk relevante inkomsten had verzwegen en daarmee de gemeente en samenleving had benadeeld. Gelet op de ernst van het feit, het blanco strafblad en persoonlijke omstandigheden legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar op, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.