ECLI:NL:GHAMS:2018:2146
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verlenging uithuisplaatsing minderjarige ondanks verbeterde thuissituatie ouders
De minderjarige [A] is sinds zijn geboorte in 2015 uit huis geplaatst vanwege ernstige problemen binnen het ouderlijk huis, waaronder geweld en relatieproblemen tussen de ouders. Na een crisispleeggezin verblijft hij sinds oktober 2016 bij zijn huidige pleegouders, waar hij rust en structuur vindt en zich redelijk ontwikkelt.
De ouders hebben zich de afgelopen periode zichtbaar verbeterd, volgen therapie en ontvangen hulp bij de opvoeding van hun jongere kind [B], wiens ondertoezichtstelling inmiddels is beëindigd. Desondanks is het hof van oordeel dat de specifieke opvoedingsbehoeften van [A], veroorzaakt door zijn vroege beschadigingen, een gespecialiseerde en stabiele omgeving vereisen die de pleegouders bieden.
De ouders betogen dat lichtere maatregelen volstaan en dat terugplaatsing passend is, maar het hof concludeert dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft om de positieve ontwikkeling van [A] te waarborgen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en 9 IVRK wordt verworpen. De beschikking tot verlenging van de uithuisplaatsing wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot uiterlijk 19 oktober 2018.