Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter Amsterdam waarbij een ondertoezichtstelling van een minderjarige werd verlengd. De moeder van de minderjarige betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechter omdat de gewone verblijfplaats van het kind inmiddels in Israël was gelegen.
Het hof heeft vastgesteld dat de minderjarige sinds medio augustus 2017 met haar moeder in Israël verbleef, daar naar school ging, de taal leerde en familie had, wat duidt op een zekere integratie in de Israëlische sociale en familiale omgeving. Dit leidde tot de conclusie dat de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van het inleidende verzoek in november 2017 in Israël was.
Omdat Israël geen partij is bij Brussel II-bis of de relevante internationale verdragen, en de Nederlandse rechter geen uitzonderlijke verbondenheid met Nederland kon vaststellen, oordeelde het hof dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was om van het verzoek kennis te nemen. De bestreden beschikking werd vernietigd en de Nederlandse rechter werd onbevoegd verklaard.
De beslissing benadrukt het belang van de gewone verblijfplaats als criterium voor bevoegdheid in internationale familierechtelijke zaken en bevestigt dat inschrijving in Nederland niet doorslaggevend is als het kind feitelijk elders is geïntegreerd.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Israël lag.