Op 4 mei 2017 werd in een supermarkt te Amsterdam een portemonnee met inhoud gestolen. Verdachte werd herkend op camerabeelden die als bewijs dienden. In hoger beroep stelde de verdediging dat het ontbreken van de bewegende camerabeelden een onherstelbaar vormverzuim opleverde, wat tot bewijsuitsluiting en vrijspraak zou moeten leiden.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van de bewegende beelden geen onherstelbaar vormverzuim vormt, mede omdat stills wel aan het dossier waren toegevoegd en het verzoek om de beelden laat was gedaan. De herkenning van verdachte door politieambtenaren op de beelden en andere bewijsmiddelen waren voldoende om de diefstal wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van voorarrest, vanwege de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, en de eerdere veroordeling van verdachte voor een vermogensdelict. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde werd bevestigd en de straf gehandhaafd.