ECLI:NL:GHAMS:2018:2382
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor verspreiding seksueel expliciet beeldmateriaal en immateriële schadevergoeding
In deze civiele zaak staat de onrechtmatige verspreiding van seksueel expliciet beeldmateriaal centraal. Geïntimeerde had in een relatie met appellant video-opnamen gemaakt onder de voorwaarde dat deze strikt privé zouden blijven. Appellant heeft het materiaal zonder toestemming ontvreemd en op internet geplaatst, inclusief persoonsgegevens van geïntimeerde. Dit leidde tot massale verspreiding en aanzienlijke immateriële schade.
De rechtbank stelde appellant aansprakelijk en veroordeelde hem tot betaling van een schadevergoeding en het doen verwijderen van het beeldmateriaal. Appellant stelde in hoger beroep dat hij na 2011 alles had gedaan wat in zijn macht lag om het materiaal te verwijderen en betwistte zijn aansprakelijkheid voor verdere verspreiding. Het hof oordeelde dat appellant doelbewust de eer en goede naam van geïntimeerde heeft aangetast en dat het voor hem voorzienbaar was dat het materiaal zich verder zou verspreiden.
Het hof verwierp het verweer van appellant dat hij niet aansprakelijk zou zijn voor het opnieuw verschijnen van het materiaal na 2011. Ook de aanwezigheid van materiaal zonder koppeling aan de naam van geïntimeerde werd als relevant beschouwd. De immateriële schadevergoeding van €35.000,- werd passend geacht gezien de psychische klachten en de langdurige gevolgen voor geïntimeerde.
Het verzoek tot oplegging van lijfsdwang werd afgewezen omdat andere dwangmiddelen voldoende zijn en het belang van geïntimeerde dit niet rechtvaardigt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant tot betaling van immateriële schadevergoeding en verwijdering van het beeldmateriaal zonder toepassing van lijfsdwang.