Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Het (doen) (na) bezorgen van dagbladen of andere producten op door de opdrachtgever aangegeven adressen. (…)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond centraal of krantenbezorgers werkzaam voor Persgroep als werknemers konden worden aangemerkt. De appellanten stelden dat hun overeenkomsten met Persgroep of diens distributeur als arbeidsovereenkomsten moesten worden gekwalificeerd, met alle daaraan verbonden rechten zoals loonbetaling conform de Wet minimumloon.
Het hof onderzocht de aard van de overeenkomsten, de partijbedoeling bij het aangaan ervan en de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden. Uit de contractuele bepalingen bleek dat partijen expliciet een overeenkomst van opdracht sloten en geen arbeidsovereenkomst beoogden. De bezorgers hadden ruime vrijheid in de uitvoering, mochten zich laten vervangen zonder toestemming van Persgroep en ontvingen geen loon tijdens ziekte of vakantie.
De appellanten voerden aan dat er wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding en persoonlijke arbeidsverplichting, maar het hof vond onvoldoende aanwijzingen hiervoor. Ook de economische afhankelijkheid van de bezorgers en het boetesysteem konden het oordeel niet wijzigen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de appellanten in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de krantenbezorgers geen arbeidsovereenkomst hadden met Persgroep en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.