ECLI:NL:GHAMS:2018:2413
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk voor kinderen in belang van verzorging en opvoeding
In deze zaak stond de vraag centraal of de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen bij hun vader, verleend door de rechtbank, terecht was. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen dit besluit. De kinderen hadden hun hoofdverblijfplaats bij de moeder en de ouders oefenden gezamenlijk het gezag uit.
De raad voerde aan dat de situatie bij de moeder onstabiel was en dat de kinderen een loyaliteitsconflict ervoeren, waardoor uithuisplaatsing noodzakelijk was. De vader ondersteunde dit standpunt en stelde dat de situatie bij hem stabieler was. De moeder betoogde dat de gronden voor uithuisplaatsing niet aanwezig waren, dat zij bereid was mee te werken aan hulpverlening en dat de kinderen graag bij haar wilden wonen.
Het hof oordeelde dat hoewel er zorgen waren over de opvoedsituatie bij de moeder en sprake was van spanningen en conflicten, deze niet zodanig ernstig waren dat een uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de kinderen. Het hof nam mee dat de moeder bereid was tot medewerking aan hulpverlening en dat de relatie die spanningen veroorzaakte inmiddels was beëindigd. De machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom vernietigd en het verzoek van de raad afgewezen.
Ten slotte benadrukte het hof dat deze beslissing geen richtinggevend karakter heeft voor de lopende procedure over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, waar een ander criterium geldt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af omdat dit niet noodzakelijk is in het belang van de kinderen.