ECLI:NL:GHAMS:2018:2495

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2018
Publicatiedatum
18 juli 2018
Zaaknummer
23-001075-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt

De veroordeelde werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor het telen van hennep en diefstal van elektriciteit. Tevens werd hem een ontnemingsvordering van €16.698,48 opgelegd wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen zowel het strafvonnis als de ontnemingsvordering.

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de politierechter bevestigd. In hoger beroep voerde de verdediging aan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk lager moest worden vastgesteld, op basis van een verklaring van de veroordeelde over een beperkte oogst van slechte kwaliteit en een warmtebeeldcamera die slechts een beperkte kweekactiviteit zou aantonen.

Het hof oordeelde echter dat de verklaring van de veroordeelde ongeloofwaardig was. De warmtemeting vond plaats tijdens een tweede kweekcyclus en kon daarom niet als ondersteuning dienen voor de verklaring over de eerste kweek. Daarnaast ontbraken onderbouwingen en kwam de verklaring pas in hoger beroep naar voren. Ook achtte het hof het onaannemelijk dat slechts één kamer werd gebruikt gezien de gelijktijdige aanschaf van apparatuur voor twee kamers en de financiële motieven van de veroordeelde.

Daarom verwierp het hof het verweer en bevestigde het vonnis, inclusief de ontnemingsvordering. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 maart 2018.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling en de ontnemingsvordering van €16.698,48 wegens hennepteelt en diefstal van elektriciteit.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001075-17
datum uitspraak: 6 maart 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13‑706923-14 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van EUR 21.658,64.
De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2017 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 27 maart 2017 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.698,48 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2018 is het strafvonnis van 27 maart 2017 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de gronden met de navolgende overweging en bespreking van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer aanvult.

Aanvullende overweging

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft verzocht bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van de verklaring van de veroordeelde die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring van de veroordeelde houdt – kort gezegd en voor zover hier relevant – in dat hij, veroordeelde, één keer eerder heeft geoogst en dat hij toen slechts één kamer in gebruik had met 70 planten. Deze oogst is gedeeltelijk mislukt en wat hij heeft kunnen oogsten was van slechte kwaliteit. De veroordeelde stelt dat hij hierdoor niet meer dan één kilo heeft kunnen verkopen voor € 2 per gram.
De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat pagina 35 van het dossier een aanknopingspunt voor de juistheid van de lezing van de veroordeelde biedt. De warmtebeeldcamera liet namelijk alleen aan de achterzijde van het huis een verhoogd temperatuurbeeld zien. Derhalve moet de ontnemingsvordering volgens de raadsvrouw worden gematigd naar nihil, nu de veroordeelde slechts € 2.000 heeft ontvangen en hiermee zijn investeringen er niet eens uit heeft.
Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de veroordeelde die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd ongeloofwaardig is, zodat het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan die verklaring voorbij zal gaan. Hiervoor is het volgende redengevend. De warmtemeting, waarbij aan de achterzijde van het huis een verhoogd temperatuurbeeld is gemeten heeft een maand vóór de inval plaatsgevonden. De veroordeelde heeft verklaard dat de 2e oogst nog een paar weken te gaan had. Nu een kweekcyclus over het algemeen 10 weken bedraagt, is deze warmtemeting gedaan op het moment dat de tweede kweek er stond. Voornoemde warmtemeting kan dan ook niet gelden als ondersteuning van de verklaring van de veroordeelde omtrent de eerste kweek. Verder ontbreekt enig aanknopingspunt in het dossier voor de juistheid van deze verklaring van de veroordeelde en heeft hij deze ook niet – met stukken – onderbouwd. Daarbij komt dat de veroordeelde pas in hoger beroep met zijn verklaring komt. De verklaring van de veroordeelde, dat hij de eerste keer de kwekerij maar in één kamer had opgebouwd, acht het hof ook onaannemelijk bezien in het licht dat hij de spullen voor de kwekerij (voor beide kamers) tegelijkertijd heeft gekocht en dat de veroordeelde stelt dat hij tot de hennepkwekerij werd gedreven door zijn enorme schulden.
Het verweer wordt verworpen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van
mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 maart 2018.
Mr. A.D.R.M. Boumans en mr. P.C. Römer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[...]