ECLI:NL:GHAMS:2018:2497
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek opheffing lijfsdwang wegens betalingsonmacht afgewezen door Gerechtshof Amsterdam
Het Gerechtshof Amsterdam behandelde op 6 maart 2018 een verzoek tot opheffing van lijfsdwang, opgelegd wegens niet-nakoming van een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €41.256,80. Verzoeker, gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol, stelde dat hij betalingsonmacht had en geen betalingsonwil, en dat detentie zijn medische situatie verslechterde waardoor hij niet kon voldoen.
Tijdens de openbare behandeling werd namens verzoeker aangevoerd dat hij tevergeefs een betalingsregeling met het CJIB probeerde te treffen en dat hij geen vermogen had om te betalen, afhankelijk van een bijstandsuitkering. De advocaat-generaal adviseerde tot afwijzing van het verzoek.
Het hof overwoog dat lijfsdwang een pressiemiddel is om betaling af te dwingen en dat verzoeker onvoldoende bewijsstukken had overgelegd om zijn betalingsonmacht aannemelijk te maken. Hij gaf geen inzicht in zijn financiële situatie, zoals bankafschriften of belastingaangiften. Ook de stelling over betaling van pensionkosten riep vragen op gezien zijn bijstandsuitkering.
Gelet op het ontbreken van voldoende onderbouwing wees het hof het verzoek tot opheffing van lijfsdwang af. De beschikking werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam, met drie rechters, en uitgesproken op 6 maart 2018.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van lijfsdwang wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.