ECLI:NL:GHAMS:2018:2697
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep gerechtsdeurwaarder wegens ontbreken gronden beroepschrift
De gerechtsdeurwaarder stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders die een klacht deels gegrond verklaarde en een schorsing van één week oplegde. Het beroepschrift bevatte echter niet de gronden van het beroep, maar slechts de mededeling dat deze later zouden worden aangevoerd.
Tijdens de behandeling voerde de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder aan dat telefonisch contact met een griffiemedewerker had plaatsgevonden, waarbij een termijn voor aanvulling van de gronden zou worden toegekend. Het hof onderzocht dit en constateerde dat er geen bewijs was van deze toezegging en dat de griffiemedewerker zich het gesprek niet kon herinneren.
Het hof oordeelde dat een dergelijke mondelinge mededeling onvoldoende is om af te wijken van de strikte eisen uit de Gerechtsdeurwaarderswet, het Procesreglement en de kennisgeving aan partijen. Omdat het beroepschrift niet voldeed aan de eis van een met redenen omkleed beroepschrift, werd de gerechtsdeurwaarder niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Uitkomst: De gerechtsdeurwaarder wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van een met redenen omkleed beroepschrift.