ECLI:NL:GHAMS:2018:2779
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijke regeling
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarin zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Hij stelde dat schulden waren ontstaan door tenaamstelling van een voertuig zonder zijn medeweten, waardoor onbetaalde motorrijtuigenbelasting en boetes aan het CJIB waren ontstaan. Tevens voerde hij aan dat hij sinds de benoeming van een beschermingsbewindvoerder financieel stabieler was en zich inspande om werk te vinden.
Het hof oordeelde dat appellant niet had voldaan aan de vereisten van artikel 285 Faillissementswet Pro, omdat geen nieuw en actueel voorstel tot een buitengerechtelijke schuldregeling aan schuldeisers was gedaan, terwijl de schuldenlijst niet was geactualiseerd. De schulden aan het CJIB waren aanzienlijk verminderd, maar niet volledig weggewerkt, en er was geen bewijs dat de belastingschulden te goeder trouw waren ontstaan.
Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de omstandigheden die tot de schulden hadden geleid voldoende onder controle had gekregen. Zijn inspanningen om betaald werk te vinden waren onvoldoende, waardoor het hof concludeerde dat hij niet aannemelijk kon maken dat hij aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zou voldoen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde appellant alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een actuele minnelijke schuldregeling.