ECLI:NL:GHAMS:2018:2922

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2018
Publicatiedatum
15 augustus 2018
Zaaknummer
23-000781-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder C OpiumwetArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs medeplegen hennepbezit

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis vernietigd en verdachte vrijgesproken van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep. De tenlastelegging betrof het bezit en/of teelt van ongeveer 966 gram hennep in een woning te Amsterdam.

Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte als pleger of medepleger betrokken was bij de hennep. Van belang was dat verdachte pas enkele dagen voor de vondst in Nederland was gearriveerd en dat in de woning verfspullen waren aangetroffen, wat zijn verklaring ondersteunde dat hij slechts tijdelijk verbleef om te schilderen.

Het feit dat de hennep in de kamer van verdachte werd aangetroffen en hij mogelijk wetenschap had van de hennep, was onvoldoende om hem strafrechtelijk te kunnen aanmerken als aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet. Het hof verklaarde de tenlastelegging niet bewezen en sprak verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen van hennepbezit.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000781-17
datum uitspraak: 19 juni 2018
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-701218-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1980,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 08 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 966,14 gram hennep en/of 16, althans een of meer gesealde zakken met hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent dat overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte als pleger of medepleger betrokken is geweest bij de hoeveelheid hennep die is aangetroffen in de woning waar hij verbleef. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte pas enkele dagen eerder in Nederland is gearriveerd en dat in de woning verfspullen zijn aangetroffen, hetgeen steun biedt voor de verklaring van de verdachte dat hij slechts voor korte tijd in de woning verbleef om deze te schilderen. Het enkele feit dat de hennep is aangetroffen in de kamer waarin de verdachte sliep en hij hier mogelijk wetenschap van heeft gehad, is naar het oordeel van het hof in de gegeven situatie onvoldoende om te kunnen spreken van aanwezig hebben als bedoeld in art. 3 onder Pro C van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. M.L.M. van der Voet en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van
R. Rasink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2018.
mr. M.J. Dubelaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.