De verdachte stond in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter wegens overtreding van gebiedsverboden opgelegd door de burgemeester van Amsterdam.
In zaak A werd bewezen verklaard dat de verdachte op 24 oktober 2016 opzettelijk het gebiedsverbod overtrad, terwijl hij kort daarvoor al onherroepelijk was veroordeeld voor een gelijk misdrijf. Het hof oordeelde dat het gebiedsverbod rechtsgeldig was opgelegd en voldoende duidelijk was, mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf.
In zaak B werd de verdachte vrijgesproken omdat niet kon worden vastgesteld dat hij persoonlijk op de hoogte was van de verlenging van het gebiedsverbod. De verdachte had verklaard hiervan niet op de hoogte te zijn en het dossier bood geen bewijs van kennisname.
Het hof hield rekening met de recidive van de verdachte en een psychologisch rapport waaruit bleek dat hij leed aan een waanstoornis die zijn gedragskeuzes deels beïnvloedde. Daarom werd het ten laste gelegde verminderd toegerekend en werd een gevangenisstraf van drie weken opgelegd.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met vrijspraak in zaak B en veroordeling in zaak A.