ECLI:NL:GHAMS:2018:3209
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring klacht tegen gerechtsdeurwaarder inzake executie dwangsommen na gewijzigde omgangsregeling
Klaagster had een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder wegens het voortzetten van executie van dwangsommen na een beschikking van 18 november 2015, waarin zij meende dat de wettelijke grondslag voor het beslag was komen te vervallen. Het geschil betrof de uitvoering van een omgangsregeling tussen klaagster en haar voormalige partner, waarbij dwangsommen waren opgelegd voor het niet naleven van deze regeling.
De gerechtsdeurwaarder stelde dat de dwangsommen ook na 18 november 2015 doorliepen, omdat de beschikking van die datum de eerdere arrestuitspraak van 13 oktober 2015 niet had opgeheven en onverkort uitvoering aan die regeling moest worden gegeven. Hij baseerde zich daarbij op diverse uitspraken van de Hoge Raad en de inhoud van de rechterlijke besluiten.
Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder zijn eigen verantwoordelijkheid had genomen en een marginale toetsing had toegepast, zoals van hem werd verlangd. Er was geen reden om aan te nemen dat de executie onrechtmatig was. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en de beslissing van de kamer bevestigd. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De klacht tegen de gerechtsdeurwaarder is ongegrond verklaard en de beslissing van de kamer bevestigd.