De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een jeugddetentie van 14 dagen wegens het beledigen van een politieagent tijdens diens dienst. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, waarbij de raadsman verzocht om de straf in voorwaardelijke zin op te leggen.
Het hof heeft de zaak op 28 juni 2018 behandeld en oordeelde dat de opgelegde straf passend en geboden is, mede gelet op de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd. De verdachte is geen first offender en heeft eerder onherroepelijke veroordelingen, weigert mee te werken aan hulpverlening en het uitvoeren van werkstraffen of het betalen van geldboetes.
Het hof ziet geen aanleiding om de straf voorwaardelijk op te leggen, omdat er geen persoonlijke omstandigheden zijn die een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf buitengewoon onwenselijk maken. Bovendien benadrukt het hof het belang van de educatieve functie van het jeugdstrafrecht, waarbij daadwerkelijk een straf moet volgen op ontoelaatbaar gedrag.
Daarom bevestigt het hof het vonnis van de kinderrechter, waarbij de strafmotivering is vervangen en aangevuld met relevante wetsartikelen. De opgelegde jeugddetentie van 14 dagen blijft van kracht.