De zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van een poging tot gewapende overval op een juwelier. De overval vond plaats op 24 mei 2011 en werd gepleegd door drie daders die gebruik maakten van bivakmutsen, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een hamer. De verdachte stormde als tweede naar binnen en had een belangrijk aandeel, onder meer door het inslaan van een ruit met een hamerachtig voorwerp.
De verdediging voerde aan dat er geen overtuigend direct bewijs was en betwistte onder meer de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de toedracht van het telefoonverkeer. Het hof verwierp deze verweren op grond van het dossier, waaronder telefoniegegevens, getuigenverklaringen en DNA-sporen op een bivakmuts die bij de tramhalte werd aangetroffen.
Het hof achtte het feit dat de verdachte een belangrijk aandeel had bij de overval bewezen, mede gezien het georganiseerde karakter en het gebruikte geweld. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met strafverzwarende omstandigheden zoals het gebruik van wapens, het toebrengen van letsel en recidive, maar matigde de straf wegens het lange tijdsverloop en de positieve persoonlijke ontwikkeling van de verdachte. De opgelegde jeugddetentie van zes maanden werd passend en geboden geacht en het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank.