ECLI:NL:GHAMS:2018:384

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2018
Publicatiedatum
6 februari 2018
Zaaknummer
23-002823-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 359a SvArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine in auto

De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met de tenlastelegging dat hij op of omstreeks 1 juni 2017 in Amsterdam opzettelijk ongeveer 36,3 gram amfetamine aanwezig had in een auto. Tijdens een verkeerscontrole zat de verdachte als passagier op de achterbank van het voertuig waarin ook twee medeverdachten zaten. Bij de doorzoeking werd onder de achterbank een plastic zak met 34 gram amfetamine gevonden en in de rugtas van de verdachte een precisieweegschaal.

De advocaat-generaal vorderde bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen, stellende dat de verdachte op verdachte wijze over de achterbank schoof en de drugs in de auto aanwezig waren. Het hof oordeelde echter dat deze feiten onvoldoende waren om wettig en overtuigend bewijs te leveren dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de amfetamine en beschikkingsmacht daarover bezat.

Het hof benadrukte dat voor bewezenverklaring niet alleen beschikkingsmacht vereist is, maar ook wetenschap van de aanwezigheid van de drugs. Het enkele heen en weer schuiven op de achterbank en het aantreffen van een weegschaal in de rugtas waren onvoldoende om dat aan te tonen. Bovendien was de auto niet van de verdachte en bestuurde hij deze niet, hij was slechts passagier.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde. Het bewijsverweer van de verdediging werd verworpen, maar dit was niet relevant voor de vrijspraak. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 2 februari 2018.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002823-17
datum uitspraak: 2 februari 2018
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-098409-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2018.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2017 in de gemeente Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 36,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft – behoudens het ten laste gelegde medeplegen – tot bewezenverklaring gerekwireerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging beschreven verdovende middelen zijn aangetroffen, verstopt in de achterbank van de auto waarop de verdachte ten tijde van de verkeerscontrole – als enige – zat, hij op ‘verdachte’ wijze over de achterbank heen en weer heeft geschoven en in de door hem meegevoerde rugtas een precisieweegschaal is aangetroffen. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de advocaat-generaal wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat het de verdachte is geweest die de in die achterbank aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de politie-ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 1 juni 2017 werd de verdachte die dag als passagier aangetroffen in een auto die aan een verkeerscontrole werd onderworpen. De verdachte was toen gezeten op de achterbank (aan de rechterzijde) van het voertuig. De twee medeverdachten zaten respectievelijk op de bestuurders- en bijrijdersplaats. Door de verbalisanten is waargenomen dat de verdachte op enig moment over de bank naar links schoof en vervolgens weer op die bank naar rechts terug bewoog. Bij de doorzoeking van het voertuig is uiteindelijk ergens onder de zitting van de achterbank een plastic zak met daarin – naar later uit forensisch onderzoek is gebleken – 34 gram amfetamine aangetroffen. Voorts werd in de rugzak, die bij de zitplaats van de verdachte stond, een precisieweegschaal aangetroffen.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden ontoereikend zijn voor het bewijs van het ten laste gelegde. Immers, voor een bewezenverklaring ter zake het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet is niet alleen vereist dat de verdachte de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen, maar tevens dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Dit laatste volgt naar het oordeel van het hof onvoldoende uit de door de advocaat-generaal voorgedragen bewijsmiddelen. In dat kader merkt het hof op dat het op enig moment heen en weer schuiven over de achterbank en de aanwezigheid van de precisieweegschaal in de rugtas van de verdachte mogelijk vragen of zelfs bedenkingen kan oproepen, maar voor bewezenverklaring van dat opzettelijk aanwezig hebben ontoereikend is. Daar komt bij, dat uit het dossier blijkt dat de verdachte de auto niet bestuurde noch dat de auto aan hem toebehoorde, maar dat de verdachte toen en daar slechts als passagier in het voertuig aanwezig was.
Op grond van het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerde bewijsverweer, dat is gestoeld op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de te geven beslissing tot vrijspraak, heeft de verdediging geen belang bij kennisneming van de gronden waarop die beslissing tot verwerping rust.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2018.
Mr. R. Veldhuisen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]