Partijen zijn in 2007 gehuwd in gemeenschap van goederen en hun huwelijk is in januari 2018 ontbonden. De man betaalde partneralimentatie aan de vrouw, maar beide partijen gingen in hoger beroep over de hoogte en duur hiervan.
De vrouw stelde haar behoefte vast aan de hand van de hofnorm, die aansluit bij de gezamenlijke levensstandaard tijdens het huwelijk en voorkomt dat partijen in eindeloze discussies over individuele kostenposten raken. Het hof vond de hofnorm passend, gezien het feit dat het gezamenlijke inkomen tijdens het huwelijk volledig werd besteed aan de kosten van levensonderhoud.
De vrouw werkt drie dagen per week en het hof acht het redelijk dat zij dit kan uitbreiden naar vier dagen, wat haar verdiencapaciteit verhoogt. De man volgt een herscholingstraject en zijn draagkracht is berekend op basis van zijn fiscaal loon in 2017, rekening houdend met woonlasten en andere vaste lasten.
Het hof bepaalde de partneralimentatie op € 578,- per maand voor het eerste jaar en € 688,- per maand voor het tweede jaar, waarbij het verzoek van de man om de alimentatie te beperken of nihil te stellen werd afgewezen. Tevens werd bepaald dat de vrouw geen terugbetalingsverplichting heeft voor teveel ontvangen alimentatie.