In deze zaak stond de beëindiging van een huurovereenkomst van een bedrijfsruimte centraal, waarbij de eigendom van het pand was overgedragen aan een derde partij, [A]. Het geschil betrof onder meer de vraag of de huurovereenkomst moest eindigen en of de huurder recht had op een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten.
Het hof oordeelde dat de overdracht van het pand aan [A], die tevens bestuurder is van de makelaar van de stichting, geen sprake gaf van bedrog of misleiding. De gestelde rendementsverbetering na renovatie was onvoldoende weersproken en vormde geen dragende reden om de huurovereenkomst te handhaven. De zaak was op tijd geschorst en hervat, en de procedure werd voortgezet met [A] als nieuwe procespartij.
De gevorderde beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming werd toegewezen, waarbij de huurder werd veroordeeld om het gehuurde binnen zeven dagen te verlaten en ontruimen. De vordering tot tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten werd afgewezen wegens het ontbreken van een akte door de huurder. Ook werden vorderingen tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring en dwangsom afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof veroordeelde de huurder tevens hoofdelijk tot betaling van de ontruimingskosten en de proceskosten in beide instanties. Het arrest bevestigt daarmee het eerdere tussenarrest en vernietigt het vonnis waarvan beroep.