Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen een minderjarige dochter met hoofdverblijf bij de vrouw. De voormalige echtelijke woning is een huurwoning waarvan de vrouw het gebruik toegewezen kreeg door de rechtbank. De man kwam in hoger beroep met verzoek tot toewijzing van het huurrecht aan hem en een uitkering in zijn levensonderhoud.
Het hof weegt de belangen van partijen af en oordeelt dat het belang van de vrouw, als primaire verzorgster van de minderjarige en met werk in de omgeving, zwaarder weegt dan dat van de man, die studeert en bij zijn ouders woont. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij door het verlies van de woning psychische problemen ondervindt en heeft geen concrete pogingen gedaan om elders woonruimte te vinden.
Ten aanzien van de partneralimentatie stelt het hof vast dat de man zijn behoefte onvoldoende concreet en met stukken heeft onderbouwd. Zijn studiebelasting en mogelijkheden om naast de studie te werken zijn niet aannemelijk gemaakt. Ook zijn stelling over psychische ongeschiktheid om te werken is niet met bewijs ondersteund. Daarom wijst het hof het verzoek tot partneralimentatie af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof wijst het huurrecht van de voormalige echtelijke woning toe aan de vrouw en wijst het verzoek van de man om partneralimentatie af.