ECLI:NL:GHAMS:2018:4457
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen beschikkingen van de kinderrechter die de minderjarige onder toezicht stelden en machtigden tot uithuisplaatsing. De moeder betwistte de noodzaak van deze maatregelen en stelde dat zij voldoende meewerkte aan vrijwillige hulpverlening.
In eerste aanleg waren de maatregelen genomen vanwege zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en de psychische gesteldheid van de moeder. De minderjarige verbleef tijdelijk in een crisispleeggezin en later bij de grootvader. De moeder startte een behandeling voor haar paniekstoornis en agorafobie, en de GI en raad voor de kinderbescherming waren betrokken.
Het hof oordeelt dat de moeder de noodzakelijke zorg heeft geaccepteerd en dat de voorgenomen overplaatsing naar een ander pleeggezin onnodig was omdat een alternatief in het netwerk beschikbaar was. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing waren daarom niet gerechtvaardigd. De beschikkingen van 2 februari, 19 februari en 4 mei 2018 worden vernietigd en de verzoeken van de raad en GI afgewezen.
De moeder is ontvankelijk in haar hoger beroep en de raad en GI worden niet veroordeeld in de proceskosten omdat zij niet nodeloos kosten hebben veroorzaakt. Het hof benadrukt het belang van het familie- en gezinsleven en het beginsel van subsidiariteit bij kinderbeschermingsmaatregelen.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden vernietigd en afgewezen wegens ontbreken van noodzakelijke gronden.