ECLI:NL:GHAMS:2018:4493

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2018
Publicatiedatum
4 december 2018
Zaaknummer
23-001847-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens geslaagd beroep op noodweer bij mishandeling

Op 27 september 2011 ontstond een conflict tussen de aangever en een vriend van de verdachte in Amsterdam. De verdachte arriveerde ter plaatse en gaf een harde duw aan de aangever om de partijen te scheiden, waarna de aangever viel. De verdachte werd beschuldigd van openlijke geweldpleging en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

In hoger beroep oordeelde het hof dat niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de openlijke geweldpleging had gepleegd, waardoor hij hiervan werd vrijgesproken. Ten aanzien van de mishandeling stelde de raadsman dat verdachte handelde uit noodweer ter verdediging van zijn vriend. Het hof achtte dit aannemelijk op basis van getuigenverklaringen en de omstandigheden van het incident.

Het hof concludeerde dat de gedragingen van de aangever een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding vormden en dat de verdediging door verdachte noodzakelijk en proportioneel was. Hierdoor slaagde het beroep op noodweer en werd verdachte ook vrijgesproken van mishandeling. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens geslaagd beroep op noodweer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001847-17
datum uitspraak: 28 november 2018
TEGENSPRAAK (na aanhouding niet verschenen)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-068483-12 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 27 september 2011 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Postjesweg en/of de Marco Polostraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit
- het (met kracht) schoppen en/of trappen tegen de (linker)pink, althans de/een vinger(s) en/of hand(en) en/of
- het (met kracht) slaan en/of stompen en/of duwen tegen de nek/hals waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val kwam tegen een invalidenwagentje en/of karretje, althans een soortgelijk voertuig en/of op de grond, welk geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten uitval en/of beknelling van een of meer zenuwen in de nek en/of arm en/of een pink uit de kom en/of een kneuzing aan de linkerelleboog en/of tijdelijke arbeidsongeschiktheid), althans enig letsel tot gevolg heeft gehad;
subsidiairhij op of omstreeks 27 september 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht) tegen de pink en/of de/een vinger(s) en/of de/een hand(en) heeft geschopt en/of getrapt en/of (met kracht) tegen de nek/hals heeft geslagen en/of gestompt en/of geduwd waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen tegen een invalidenwagentje en/of karretje, althans een soortgelijk voertuig en/of op de grond, welk geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten uitval en/of beknelling van een of meer zenuwen in de nek en/of arm en/of een pink uit de kom en/of een kneuzing aan de linkerelleboog en/of tijdelijke arbeidsongeschiktheid), althans enig letsel tot gevolg heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, namelijk een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van
€ 500,00, met een proeftijd van 1 jaar.

Vrijspraak van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging

Met de politierechter is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de advocaat-generaal dit ook heeft gevorderd, terwijl dit eveneens is bepleit door de raadsman, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Vrijspraak van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, omdat zijn vriend [naam] werd aangevallen door de aangever [slachtoffer]. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van mishandeling.
De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.
Het hof overweegt als volgt.
Voorop wordt gesteld dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.
Vast staat dat op 27 september 2011 op straat in Amsterdam een ruzie heeft plaatsgevonden tussen [naam] (hierna: [naam]) en aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Op dat moment was de verdachte nog niet ter plaatse. [naam] is vervolgens een huis binnengegaan en [slachtoffer] is op straat blijven staan. Toen [naam] weer naar buiten kwam, laaide het conflict tussen de mannen onmiddellijk weer op, hetgeen ontaardde in een handgemeen. De verdachte was toen inmiddels in zijn auto gearriveerd, omdat hij met [naam] een afspraak had.
Over hetgeen zich vervolgens heeft afgespeeld, heeft de verdachte kort gezegd het volgende verklaard. De verdachte zag dat [slachtoffer] zijn vriend [naam] meteen aanviel en ‘aan het bewerken’ was. De verdachte is hierop uit zijn auto gestapt, is op het tweetal afgebeend en heeft geschreeuwd dat [slachtoffer] ‘normaal’ moest doen. Omdat [slachtoffer] vervolgens kennelijk niet van wijken wilde weten, heeft de verdachte hem
- teneinde de partijen te scheiden - een harde duw gegeven, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is gevallen.
Het hof acht de door de verdachte beschreven gang van zaken aannemelijk, omdat deze weerklank vindt in de verklaringen van verschillende getuigen, waaronder de in hoger beroep onder ede afgelegde verklaring van [naam]. Uit die verklaringen komt naar voren dat [slachtoffer], die wordt beschreven als een grote man met een atletische bouw, zich opgefokt en agressief gedroeg, dat hij slaande bewegingen richting [naam] maakte, dat laatstgenoemde probeerde weg te komen, maar daartoe de kans niet kreeg en dat [slachtoffer] aan de kraag van de jas van [naam] trok, hem niet los liet en hem geruime tijd naar de grond probeerde te werken. Dat er ook verklaringen zijn die een andere richting op wijzen, zoals die van de echtgenote van [slachtoffer], maakt dit niet anders. Voor een geslaagd beroep op noodweer is immers niet vereist dat hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd onomstotelijk komt vast te staan; toereikend is dat dit aannemelijk is geworden en dat is hier dus het geval.
Uitgaande van de verklaring van de verdachte kunnen de gedragingen van [slachtoffer] worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van [naam]. Onder de gegeven omstandigheden bestond voor [naam] geen reële mogelijkheid om te vluchten en kon van de verdachte redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij het handgemeen waarin zijn vriend was betrokken op zijn beloop zou laten. De forse duw van de verdachte staat bovendien – als verdedigingsmiddel – in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding door [slachtoffer]. Het beroep op noodweer slaagt derhalve.
Met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht (vgl. Hoge Raad 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690). Nu het hof van oordeel is dat de verdachte met vrucht een beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer kan doen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat verdachtes ten laste gelegde gedraging als wederrechtelijk en daarmee als mishandelend kan worden gezien. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.
Aan de bespreking van de (overige) verweren van de raadsman komt het hof bij die stand van zaken niet meer toe.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.821,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 695,15. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag van de vordering. De vordering is in hoger beroep dus opnieuw aan de orde. De verdachte wordt echter niet schuldig verklaard ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en
spreekt de verdachtedaarvan
vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer]
niet-ontvankelijkin de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G.M. Boekhoudt en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 november 2018.
mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]