Op 27 september 2011 ontstond een conflict tussen de aangever en een vriend van de verdachte in Amsterdam. De verdachte arriveerde ter plaatse en gaf een harde duw aan de aangever om de partijen te scheiden, waarna de aangever viel. De verdachte werd beschuldigd van openlijke geweldpleging en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.
In hoger beroep oordeelde het hof dat niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de openlijke geweldpleging had gepleegd, waardoor hij hiervan werd vrijgesproken. Ten aanzien van de mishandeling stelde de raadsman dat verdachte handelde uit noodweer ter verdediging van zijn vriend. Het hof achtte dit aannemelijk op basis van getuigenverklaringen en de omstandigheden van het incident.
Het hof concludeerde dat de gedragingen van de aangever een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding vormden en dat de verdediging door verdachte noodzakelijk en proportioneel was. Hierdoor slaagde het beroep op noodweer en werd verdachte ook vrijgesproken van mishandeling. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.