ECLI:NL:HR:2011:BQ6690
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over strafrechtelijke kwalificatie van besnijdenis zonder toestemming gezagsouder
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het zonder toestemming van de gezagsouder uitvoeren van een besnijdenis bij minderjarige kinderen strafbaar is als mishandeling of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte, vader van de kinderen, werd door het Hof vrijgesproken van het ten laste gelegde, waarbij het Hof oordeelde dat een oordeelkundig uitgevoerde besnijdenis niet als mishandeling kan worden aangemerkt, ook niet zonder toestemming van de moeder die het gezag uitoefende.
De Advocaat-Generaal stelde cassatie in tegen deze vrijspraak en voerde aan dat het Hof een onjuiste uitleg had gegeven aan de begrippen mishandeling en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals bedoeld in de artikelen 300-303 Sr. De Hoge Raad bevestigde dat mishandeling een gedraging betreft waarbij zonder rechtvaardigingsgrond lichamelijk letsel of pijn wordt toegebracht, maar oordeelde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat het ontbreken van toestemming van de moeder niet relevant was voor de kwalificatie van mishandeling.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de vrijspraak betreft van de meer en meest subsidiaire tenlasteleggingen en verwees de zaak terug naar het Hof Amsterdam voor hernieuwde berechting. De motivering van de vrijspraak met betrekking tot het primaire ten laste gelegde kon in cassatie niet worden getoetst. Het arrest verduidelijkt tevens de uitleg van de strafrechtelijke begrippen mishandeling en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het kader van medische ingrepen zonder toestemming van de gezagsouder.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak voor mishandeling en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.