ECLI:NL:GHAMS:2018:4647
Gerechtshof Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding rechtsbijstandskosten na beëindiging strafzaak zonder strafoplegging
Appellant verzocht op grond van artikel 591 Sv Pro en 591a Sv vergoeding van kosten die hij in de strafzaak en de verzoekschriftprocedure had gemaakt. De strafzaak was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. De rechtbank had de verzoeken afgewezen, mede omdat de rechtsbijstandskosten door de politie waren gedragen.
Het hof oordeelde dat het verzoek op grond van artikel 591 Sv Pro niet-ontvankelijk was omdat daartegen geen hoger beroep openstond. Ten aanzien van het verzoek op grond van artikel 591a Sv stelde het hof vast dat het hoger beroep tijdig was ingesteld en dat de strafzaak zonder strafoplegging was beëindigd.
Het hof volgde het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2018, waarin werd bepaald dat het feit dat de rechtsbijstandskosten door de politie zijn gedragen geen beletsel vormt voor toekenning van een vergoeding. Het hof achtte gronden van billijkheid aanwezig en kende appellant een vergoeding toe van € 71.670,03.
De beschikking van de rechtbank werd ten aanzien van artikel 591a Sv vernietigd en het hof deed opnieuw recht. De beschikking werd onverwijld aan appellant betekend en de betaling van het bedrag werd bevolen.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding toe van € 71.670,03 voor rechtsbijstandskosten en verklaart het verzoek op grond van artikel 591 Sv niet-ontvankelijk.