ECLI:NL:GHAMS:2018:504

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2018
Publicatiedatum
15 februari 2018
Zaaknummer
001456-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 90 SvArt. 591a SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vergoeding schade door onterechte vrijheidsbeneming

Appellant verzocht om vergoeding van schade en proceskosten als gevolg van voorlopige hechtenis in een strafzaak wegens mishandeling en poging tot zware mishandeling/doodslag. De rechtbank wees dit verzoek af, stellende dat appellant de vrijheidsbeneming overwegend aan zichzelf te wijten had.

Het hof oordeelde echter dat onvoldoende was gebleken dat appellant de vrijheidsbeneming aan zichzelf te wijten had. Appellant had zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen en later een verklaring afgelegd. Het hof vond gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende appellant een vergoeding toe van € 1.575,00 voor de verzekering en voorlopige hechtenis en € 550,00 voor proceskosten. Tevens bepaalde het hof verrekening met openstaande geldsommen die appellant aan de Staat verschuldigd is.

De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 februari 2018.

Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding toe van € 1.575,00 en € 550,00 en vernietigt de eerdere afwijzing.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummers: R 001456-17 (89 Sv HB) en R 001455-17 (591a Sv HB)
Parketnummer in eerste aanleg: 15-810056-15
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 21 augustus 2017 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[appellant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
mr. M. Hoekzema, [adres].

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 1.575,00, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer.
Het verzoekschrift strekt voorts tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van
€ 550,00 ter zake van de kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek.

2.Procesverloop

Het hoger beroep is op 28 augustus 2017 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 januari 2018 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant en zijn advocaat zijn met kennisgeving hiervan niet verschenen.

3.Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en hiertoe onder meer overwogen dat de toepassing van de vrijheidsbeneming mede voor het verhoor van verzoeker noodzakelijk was en dat verzoeker deze vrijheidsbeneming in overwegende mate aan zichzelf te wijten had.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Appellant is op 18 februari 2015 in verzekering gesteld in verband met een verdenking van mishandeling, poging tot zware mishandeling/doodslag. Op 20 februari 2015 is de bewaring bevolen en op 5 maart 2015 is appellant in vrijheid gesteld. Van de dagen in het huis van bewaring zijn 11 dagen in beperkingen doorgebracht.
De rechtbank heeft overwogen dat appellant de vrijheidsbeneming overwegend aan zich zelf te wijten had zonder dit verder toe te lichten. Uit het dossier blijkt dat appellant zich bij zijn eerste verhoor op 19 februari 2014 heeft beroepen op zijn zwijgrecht en op 20 februari 2014 een verklaring heeft afgelegd. Overigens zijn het hof geen omstandigheden gebleken die de conclusie kunnen dragen dat appellant de (voortgezette) vrijheidsbeneming in overwegende mate aan zich zelf te wijten had. Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep gegrond.
Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding zoals verzocht.
Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de onderstaande geldsommen vatbaar zijn voor verrekening overeenkomstig artikel 90, lid 3 Sv. Het hof zal het toegekende bedrag verrekenen met de door verzoeker aan de Staat verschuldigde geldsommen.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst het verzochte toe.
Kent ten laste van de Staat aan appellant op grond van artikel 89 Sv Pro een vergoeding toe van € 1.575,00 (duizend vijfhonderdvijfenzeventig euro).
Kent ten laste van de Staat aan appellant op grond van artikel 591a Sv een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro).
Bepaalt de verrekening van het op de voet van artikel 89 Sv Pro toegekende bedrag met de hierna te noemen aan de Staat verschuldigde geldsommen:
CJIB-nummer openstaand bedrag verrekening
[nummer 1] € 497,69 € 497,69
[nummer 2] € 313,00 € 313,00
[nummer 3] € 303,00 € 303,00
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M. Iedema en A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 februari 2018.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking
  • voor een bedrag van € 497,69, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van dit bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] 54 t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 1];
  • voor een bedrag van € 313,00, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van dit bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] 70 t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 2];
  • voor een bedrag van € 303,00, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van dit bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] 70 t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 3];
  • voor een bedrag van € 461,31, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van dit bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [naam];
  • voor een bedrag van € 550,00, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van dit bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [naam].
Amsterdam, 9 februari 2018.
Mr. R.D. van Heffen, voorzitter.