ECLI:NL:GHAMS:2018:681
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over voorlopige zorgregeling en verhuizing minderjarige na scheiding ouders
De zaak betreft een hoger beroep tegen een voorlopige zorgregeling en een overweging over de verhuizing van de vrouw met hun minderjarige kind na beëindiging van hun relatie. De rechtbank had een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij het kind bij de man overnacht en had de vrouw gevraagd zich in te spannen voor een verhuizing binnen 50 kilometer van de woonplaats van de man.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht tevens om schorsing van de werking ervan. Het hof oordeelde dat de rechtbank geen eindbeslissing had genomen over de verhuizing, maar dit onderdeel had aangehouden, waardoor het hoger beroep hierover niet ontvankelijk was. Voor de voorlopige zorgregeling was het beroep wel ontvankelijk.
De vrouw stelde dat de overnachtingen bij de man niet in het belang van het kind waren vanwege zijn jonge leeftijd en vermeende agressiviteit van de man. Het hof volgde deze stellingen niet, mede op advies van de raad voor de kinderbescherming die geen belemmeringen zag voor overnachtingen. Het hof bekrachtigde de voorlopige zorgregeling en wees het schorsingsverzoek af omdat de vrouw geen belang meer had bij schorsing.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige zorgregeling en verklaart het hoger beroep over de verhuizing niet-ontvankelijk.