ECLI:NL:GHAMS:2018:722

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2018
Publicatiedatum
1 maart 2018
Zaaknummer
200.219.559/01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders

Klager diende op 4 maart 2016 een klacht in tegen een toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders wees deze klacht op 24 januari 2017 als kennelijk ongegrond af. Klager stelde hiertegen verzet in, dat op 14 juli 2017 eveneens ongegrond werd verklaard door de kamer.

Klager ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam. Het hof behandelde de ontvankelijkheid van dit hoger beroep tijdens de zitting van 8 februari 2018, waarbij klager aanwezig was maar de geïntimeerde en haar gemachtigde niet verschenen.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Dit is niet gesteld of gebleken. Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer gerechtsdeurwaarders.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.219.559/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/623286/ DW RK 17/107
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 27 februari 2018
inzake
[klager] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
tegen
[toegevoegd gerechtsdeurwaarder] ,
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: [X] .

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant (hierna: klager) heeft op 18 juli 2017 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 14 juli 2017.
1.2.
De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 24 januari 2017, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de toegevoegd gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard.
1.3.
De toegevoegd gerechtsdeurwaarder heeft op 10 augustus 2017 een verweerschrift bij het hof ingediend.
1.4.
De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2018. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. De toegevoegd gerechtsdeurwaarder en haar gemachtigde zijn – met berichtgeving vooraf – niet verschenen.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep

3.1.
Klager heeft op 4 maart 2016 een klacht ingediend tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De toegevoegd gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beslissing van 24 januari 2017 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beslissing is op 24 januari 2017 aan klager toegezonden, waarna klager bij faxbericht van 2 februari 2017 verzet heeft ingesteld tegen deze beslissing. Het verzetschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 2 juni 2017. De kamer heeft bij beslissing van 14 juli 2017 het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39, lid 4 gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts worden afgeweken, indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
3.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 14 juli 2017.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018 door de rolraadsheer.