ECLI:NL:GHAMS:2018:722
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders
Klager diende op 4 maart 2016 een klacht in tegen een toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders wees deze klacht op 24 januari 2017 als kennelijk ongegrond af. Klager stelde hiertegen verzet in, dat op 14 juli 2017 eveneens ongegrond werd verklaard door de kamer.
Klager ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam. Het hof behandelde de ontvankelijkheid van dit hoger beroep tijdens de zitting van 8 februari 2018, waarbij klager aanwezig was maar de geïntimeerde en haar gemachtigde niet verschenen.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Dit is niet gesteld of gebleken. Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer gerechtsdeurwaarders.