ECLI:NL:GHAMS:2018:764
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer
Klager diende een klacht in tegen een notaris bij de kamer voor het notariaat, die deze klacht als kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond afwees. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar dit werd door de kamer ongegrond verklaard. Vervolgens richtte klager zich tot het gerechtshof met een hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 99 van Pro de Wet op het notarisambt (Wna) tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is, geen rechtsmiddel openstaat. Dit betekent dat hoger beroep tegen deze beslissing niet mogelijk is, tenzij er sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen.
Klager voerde aan dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat hij niet was gehoord in de verzetprocedure. Het hof stelde vast dat klager niet had verzocht om gehoord te worden en dat de kamer conform de wettelijke bepalingen mocht besluiten zonder nader onderzoek. Er was dan ook geen sprake van schending van fundamentele rechtsbeginselen.
Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en wees het beroep af. De beslissing werd door drie raadsheren van het gerechtshof Amsterdam uitgesproken op 6 maart 2018.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer.