ECLI:NL:GHAMS:2018:876
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Opheffing voorlopige hechtenis en vernietiging gevangennemingsbevel na hoger beroep
Het gerechtshof Amsterdam heeft in raadkamer uitspraak gedaan over het hoger beroep van verdachte tegen het bevel tot gevangenneming van 12 februari 2018 door de politierechter Amsterdam.
De verdachte bevond zich sinds 15 februari 2018 in vrijheid na een bevel tot invrijheidstelling van de officier van justitie, maar er was nog een executeerbaar bevel tot gevangenneming. Het hof achtte de verdachte ontvankelijk in het hoger beroep en behandelde de inhoudelijke gronden.
De raadsman voerde aan dat ten onrechte een bevel tot gevangenneming was gegeven in plaats van een bevel tot gevangenhouding, omdat verdachte zich al in bewaring bevond. Het hof verwierp dit betoog op basis van het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2000, waarin is bepaald dat de procesfase bepalend is voor het bevel.
Desondanks oordeelde het hof dat in dit bijzondere geval het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. Hierbij betrok het hof de pleitnota van de raadsman en het standpunt van de advocaat-generaal.
Het hof vernietigde het gevangennemingsbevel voor zover het onder haar oordeel viel en hief de voorlopige hechtenis op met ingang van 15 maart 2018.
Uitkomst: Het hof vernietigt het bevel tot gevangenneming en heft de voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van 15 maart 2018.