Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
.Partijen zijn voorts de ouders van twee andere inmiddels meerderjarige kinderen.
Gerechtshof Amsterdam
Het geschil betreft het verzoek van de man om de kinder- en partneralimentatie, vastgesteld bij echtscheidingsbeschikking, met ingang van januari 2016 op nihil te stellen wegens een verkeersongeval dat zijn arbeidsvermogen zou hebben aangetast.
De man stelt dat hij sinds het ongeval niet meer kan werken en slechts een laag inkomen heeft, terwijl de vrouw en de jongmeerderjarige dit betwisten en wijzen op onvoldoende onderbouwing en tegenstrijdigheden, zoals het ontbreken van medische stukken en het bestaan van andere inkomstenbronnen.
Het hof oordeelt dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn arbeidsongeschiktheid en inkomensverlies. Hij heeft geen medische documenten overgelegd en zijn financiële situatie na 2016 onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Ook zijn tegenargumenten over het ontbreken van inkomsten uit verhuur zijn niet onderbouwd.
Daarom is het hof van oordeel dat de alimentatieverplichting niet kan worden verminderd en bekrachtigt het de eerdere beschikking van de rechtbank. Het verzoek van de man wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man tot vermindering of beëindiging van de alimentatie af en bekrachtigt de eerdere beschikking.