Op 8 april 2016 heeft verdachte te Amsterdam geprobeerd brand te stichten in de woning van het slachtoffer door benzine in een bierblikje te doen, een vuurwerkbom toe te voegen, dit in brand te steken en richting een vernielde ruit van de woning te gooien. Dit leidde tot algemeen gevaar voor de woning en levensgevaar voor de bewoners.
In eerste aanleg werd verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor het subsidiair bewezen verklaarde feit. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep, sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit en verklaarde het subsidiair ten laste gelegde bewezen.
Het hof oordeelde dat het handelen van verdachte ernstig was, met een planmatig karakter en grote risico’s voor personen en goederen. Gezien persoonlijke omstandigheden en berouw legde het hof een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op, met aftrek van voorarrest.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat onvoldoende onderbouwing ontbrak en de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter moet aanbrengen.