Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake gewoonteheling en schuldheling. Verdachte werd verweten op meerdere tijdstippen tussen maart 2013 en september 2014 goederen te hebben verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.
De tenlastelegging betrof onder meer stofzuigers, friteuses, palletwagens, barbecues, laptops, computers, vaatwassers en koelkasten geleverd door verschillende rechtspersonen. Het openbaar ministerie baseerde zich op facturen, tapgesprekken en verklaringen van medeverdachten om te stellen dat verdachte op de hoogte was van de criminele herkomst van de goederen.
Het hof oordeelde dat hoewel de goederen van misdrijf afkomstig waren, onvoldoende bewijs bestond dat verdachte hiervan wist of dit redelijkerwijs had moeten vermoeden. De facturen gaven onvoldoende inzicht in de exacte goederen en prijzen, en het dossier ontbrak aan overtuigende getuigenverklaringen of bewijs van een grote discrepantie tussen waarde en betaalde prijs. Ook de suggesties over facturering en contante betalingen konden niet leiden tot een bewezenverklaring.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van zowel het primair ten laste gelegde (gewoonteheling) als het subsidiair ten laste gelegde (opzet- en schuldheling).