Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
Beoordeling
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak is het geschil ontstaan na een echtscheiding waarbij de voormalige echtelijke woning aan de man is toegewezen, inclusief de hypothecaire schuld. De vrouw is gemachtigd om zonder medewerking van de man de woning te verkopen, waarbij het vonnis in de plaats treedt van zijn toestemming indien hij niet binnen een week onvoorwaardelijk meewerkt.
De man heeft in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis ingesteld, stellende dat hij ontslag van hoofdelijkheid heeft verkregen en dat de ING-bank hiermee heeft ingestemd, waardoor de vrouw geen belang meer zou hebben bij uitvoering van het vonnis.
Het hof oordeelt dat schorsing slechts mogelijk is bij misbruik van executiebevoegdheid, bijvoorbeeld bij een duidelijke juridische of feitelijke misslag of als de tenuitvoerlegging een noodtoestand veroorzaakt. De man heeft dit niet voldoende onderbouwd en heeft geen concrete feiten aangevoerd die een noodtoestand rechtvaardigen.
Daarom wijst het hof de vordering tot schorsing af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven door de man.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen wegens ontbreken van misbruik van executiebevoegdheid.