Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 1989 gescheiden. In het vonnis werd bepaald dat de gemeenschap van goederen gescheiden moest worden, waarbij een notaris werd benoemd voor geschillen. De vrouw vorderde pensioenverrekening over de huwelijkse periode, hetgeen niet automatisch verliep vanwege de echtscheidingsdatum vóór 1995.
De man kwam in hoger beroep tegen het vonnis waarin hij veroordeeld werd tot betaling van een bedrag en maandelijkse pensioenuitkeringen aan de vrouw. Hij stelde onder meer dat de eisvermeerdering onrechtmatig was, dat sprake was van stilzwijgende boedelverdeling, klachtplicht, rechtsverwerking en dat de financiële situatie van de vrouw een matiging van de vordering rechtvaardigde.
Het hof oordeelde dat de eisvermeerdering rechtsgeldig was en dat de man dit niet in hoger beroep kon aanvechten. Er was geen stilzwijgende verdeling van pensioenrechten en geen sprake van rechtsverwerking. De klachtplicht was niet van toepassing omdat er geen ondeugdelijke nakoming was maar een nog te verdelen goed. De man had onvoldoende feiten gesteld om matiging van de pensioenverrekening te rechtvaardigen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, wees de grieven van de man af en compenseerde de proceskosten in hoger beroep. De vrouw hoeft niets terug te betalen aan de man.