ECLI:NL:GHAMS:2019:1364
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verrekening van levensverzekeringen bij ontbinding huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn in 1994 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. Hun huwelijk is in 2018 ontbonden. In eerste aanleg werd bepaald dat bepaalde levensverzekeringen van beide partijen verrekend moesten worden bij de peildatum 12 juni 2017.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen de verrekening van haar twee levensverzekeringen bij RVS, stellende dat deze in 2010 waren beëindigd en de waarde was uitgekeerd en reeds in de verrekening was betrokken via bankrekeningen. Het hof oordeelde dat de verzekeringen op de peildatum niet meer bestonden en vernietigde de verrekening daarvan.
De man stelde in incidenteel hoger beroep dat zijn levensverzekeringen bij Reaal en Aegon verknocht waren en buiten verrekening moesten blijven, vanwege pensioentekort en kosten voor hun dochter. Het hof verwierp dit beroep op verknochtheid omdat partijen niet in gemeenschap van goederen waren gehuwd en het verrekenbeding geen finaal karakter had. Wel bepaalde het hof dat de waarden van deze verzekeringen op de peildatum verrekend moeten worden, verminderd met de inkomstenbelasting die de man hierover verschuldigd was.
Een nieuwe grief van de man over privévermogen werd als tardief verworpen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover de RVS-verzekeringen betroffen en bepaalde de verrekening van de Reaal- en Aegon-verzekeringen zoals hierboven omschreven.
Uitkomst: De verrekening van de levensverzekeringen van de vrouw wordt vernietigd, terwijl de waarden van de verzekeringen van de man wel verrekend worden, verminderd met de verschuldigde inkomstenbelasting.