ECLI:NL:GHAMS:2019:1380
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag en afwijzing omgangsregeling wegens zwaarwegende belangen minderjarige
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 16 april 2019 in hoger beroep uitspraak gedaan over twee zaken betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige en het vaststellen van een omgangsregeling met de moeder.
De feiten betreffen een minderjarige geboren in 2005 uit een verbroken relatie, met een langdurige hulpverleningsgeschiedenis en complexe gedragsproblemen. De minderjarige is sinds 2017 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige bedreigingen van zijn ontwikkeling. De moeder oefende tot dan het gezag uit, maar het gezag werd op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming beëindigd en de voogdij aan een gecertificeerde instelling toegewezen.
De moeder voerde aan dat zij in staat is de minderjarige de juiste zorg te bieden en dat het contact met de minderjarige gesaboteerd werd. Het hof oordeelde echter dat de problematiek van de minderjarige meervoudig en complex is en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen. Daarnaast is het contact tussen de minderjarige en de moeder sinds de uithuisplaatsing vrijwel afwezig en is het vaststellen van een omgangsregeling momenteel in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikkingen van de rechtbank en benadrukte dat de betrokken instanties meer inspanningen moeten verrichten om het contact tussen de moeder en de minderjarige te stimuleren en zo mogelijk te herstellen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en wijst het verzoek tot omgangsregeling af wegens het belang van de minderjarige.