ECLI:NL:GHAMS:2019:139
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van renteverschil bij banklening voor garage als maatwerkfinanciering
Appellant sloot in 2007 twee leningen bij Fortis (rechtsvoorganger van ABN AMRO) voor de aankoop van een garage, met een rente van 5,10% voor de eerste vijf jaar. Na die periode werd de rente verhoogd naar 5,45%. Appellant stelde dat ABN AMRO haar eigen criteria niet had gehanteerd bij het bepalen van het rentetarief en dat het onderscheid tussen woonhuisfinancieringen en maatwerkfinancieringen slechts administratief was.
Het hof stelde vast dat ABN AMRO een onderscheid maakt tussen standaard woninghypotheken en maatwerkkredieten, waarbij maatwerkkredieten hogere tarieven kennen vanwege hogere kosten en risico's. Dit onderscheid werd onderbouwd met argumenten over beheerskosten, portefeuillekenmerken en het verhoogde risico bij maatwerkleningen.
Appellant voerde aan dat ABN AMRO in zijn individuele geval het risico niet concreet had getoetst en dat hij recht had op een transparante en controleerbare risico-inschatting. Het hof verwierp dit en oordeelde dat het de bank vrijstaat een tariefstructuur te hanteren zonder individuele toetsing, ook als het risico in een individueel geval niet hoger is dan bij een standaard woninghypotheek.
Verder oordeelde het hof dat ABN AMRO voldoende transparant was geweest door de renteaanbieding en nadere uitleg na verzoek van appellant. Ook was er geen sprake van wilsgebrek of dwaling. De vorderingen van appellant werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellant af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.