ECLI:NL:GHAMS:2019:1427
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep gezagskwestie minderjarige met alleenvaderlijk gezag bevestigd
In deze zaak staat het gezag over een minderjarige centraal, waarbij de moeder in hoger beroep verzoekt om gezamenlijk gezag met de vader toe te kennen. De vader oefent reeds eenhoofdig gezag uit sinds de rechtbank dit in mei 2018 had bepaald. De minderjarige woont sinds 2013 bij de vader en staat onder toezicht van een gecertificeerde instelling vanwege haar kwetsbare situatie.
De moeder stelt dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en dat dit het contact tussen haar en de minderjarige kan verbeteren. De vader betoogt dat er al jaren geen communicatie mogelijk is tussen hem en de moeder en dat de moeder door haar verstandelijke beperkingen niet in staat is de belangen van het kind adequaat te behartigen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert bevestiging van het eenhoofdig gezag van de vader vanwege de kwetsbaarheid van het kind en de noodzaak van duidelijke en voortvarende beslissingen.
Het hof overweegt dat het belang van het kind voorop staat en dat de moeder onvoldoende heeft laten zien dat zij het gezag in het belang van het kind kan uitoefenen. De gebrekkige communicatie en samenwerking tussen ouders en de problematiek rondom de moeder maken gezamenlijk gezag onwenselijk. Daarom wordt het primaire verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag bevestigd en het verzoek van de moeder tot gezamenlijk gezag afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de vader en wijst het verzoek van de moeder tot gezamenlijk gezag af.