Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Stukken van het geding
21 februari 2017, waar klager sub 1 en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Klaagster sub 3 was daarbij ook aanwezig. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
Gerechtshof Amsterdam
Klagers dienden meerdere klachten in tegen een gerechtsdeurwaarder, waaronder een klacht dat deze tijdens een zitting op 21 februari 2017 de kamer zou hebben voorgelogen over de inhoud en waarde van een notarieel proces-verbaal en daaraan gehechte documenten. De kamer verklaarde het verzet van klagers gegrond, vernietigde een eerdere beslissing, maar verklaarde de klacht inhoudelijk ongegrond.
In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissing. Het hof onderzocht het proces-verbaal van de zitting en concludeerde dat de gerechtsdeurwaarder niet de door klagers beweerde woorden heeft gebruikt. Zelfs indien soortgelijke woorden waren gesproken, achtte het hof dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar omdat het ging om een mening over het belang van documenten in een executieprocedure.
Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder niet onjuist had geïnformeerd en dat de klacht daarom ongegrond was. Verdere door partijen aangevoerde punten waren niet relevant voor de beslissing. De beslissing van de kamer werd bevestigd en de klacht definitief ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond is en wijst het hoger beroep af.