In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland werd de verdachte beschuldigd van medeplegen witwassen van een grote som geld en heling van diverse auto-onderdelen afkomstig van gestolen voertuigen. Het hof vernietigde het vonnis en deed nieuwe rechtspraak.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het grootste deel van het geld, behalve van €110.000 die hij in een tas meenam tijdens een inval. Daarom werd hij deels vrijgesproken van witwassen. Daarnaast sprak het hof de verdachte vrij van heling van auto-onderdelen, omdat het bewijs onvoldoende was om wetenschap van diefstal aan te tonen.
De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een veroordeling voor medeplegen witwassen van het bedrag van €110.000, waarvoor het hof een gevangenisstraf van 8 maanden oplegde, met aftrek van voorarrest. Het hof nam mee dat witwassen de integriteit van de economie aantast en strafverzwarend dat de verdachte probeerde geld aan het zicht van justitie te onttrekken terwijl de politie aanwezig was.
De uitspraak benadrukt het belang van bewijsminimum en het onderscheid tussen wetenschap en vermoeden bij witwassen en heling. De verdachte werd vrijgesproken voor het overige, waarmee het hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigde.