ECLI:NL:GHAMS:2019:1615
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ondertoezichtstelling minderjarige wegens afgenomen ontwikkelingsbedreiging
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een minderjarige onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder van de minderjarige was aanvankelijk niet tegen de ondertoezichtstelling, gezien de spanningen na de geboorte en het beëindigen van haar relatie met de vader.
Hulpverleningsinstanties zoals Tzorg en In Verbinding hebben de moeder begeleid en verklaarden dat de situatie verbeterd was en dat de moeder voldoende opvoedcapaciteiten heeft. De moeder woont nu zelfstandig en wordt ondersteund door haar moeder. De enige resterende zorg was het ontbreken van contact tussen de vader en de minderjarige, die al ruim een jaar geen omgang hadden.
Het hof oordeelde dat de gronden voor ondertoezichtstelling, die aanvankelijk terecht waren vastgesteld, inmiddels niet meer aanwezig zijn. De moeder en vader hebben toegezegd mee te werken aan begeleide omgang, die in het drangkader kan worden opgestart. De ondertoezichtstelling wordt daarom beëindigd met terugwerkende kracht vanaf het moment van de beschikking.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd voor de periode tot de uitspraak, maar het verzoek van de raad om voortzetting van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt verzocht een afschrift te zenden aan de rechtbank Noord-Holland.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt beëindigd omdat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet langer aanwezig is.