ECLI:NL:GHAMS:2019:1773

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2019
Publicatiedatum
29 mei 2019
Zaaknummer
23-003899-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering bij hennepkwekerij ondanks draagkrachtverweer

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin veroordeelde was veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal van elektriciteit. De rechtbank had veroordeelde verplicht tot betaling van een bedrag van €389.998,24 als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verminderd vanwege tijdverloop.

In hoger beroep richtte de verdediging zich vooral op het draagkrachtverweer, stellende dat veroordeelde niet in staat zou zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen. Het hof oordeelde dat dit verweer onvoldoende was onderbouwd met concrete financiële gegevens en daarom niet tot vermindering van de betalingsverplichting kon leiden.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en legde de betalingsverplichting ongewijzigd op. Hiermee werd het vonnis van 31 oktober 2017 bekrachtigd, waarbij de ontnemingsvordering gehandhaafd bleef ondanks het aangevoerde draagkrachtverweer.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van bijna €390.000 en wijst het draagkrachtverweer af.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003899-17
datum uitspraak: 28 mei 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-676689-12 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting
zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 416.043,00, ter terechtzitting is dit bedrag verminderd tot € 394.998,24.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2017 - voor zover in de onderhavige procedure van belang - veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met
een in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit waarbij
de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 31 oktober 2017 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 389.998,24 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wederrechtelijk voordeel had de rechtbank bepaald op € 394.998,24, maar zij zag in het door haar geconstateerde tijdverloop aanleiding de betalingsverplichting te verminderen met
€ 5.000,00.
Tegen laatstgenoemd vonnis is namens de veroordeelde hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde draagkrachtverweer zal bespreken.

Bespreking van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde draagkrachtverweer

Het hoger beroep beperkt zich in de kern genomen tot het draagkrachtverweer. Aangevoerd is dat de veroordeelde niet in staat is aan de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen, aangezien hij onvoldoende draagkracht heeft. Het is, aldus de raadsman, volstrekt illusoir dat de veroordeelde, zelfs bij matiging, iets kan betalen.
Het hof is van oordeel dat deze niet nader (cijfermatig) onderbouwde (gepretendeerde) financiële omstandigheid onvoldoende is reeds nu tot de conclusie te komen dat de veroordeelde thans noch
- naar redelijke verwachting - in de toekomst in staat is (zal zijn) aan de betalingsverplichting te
voldoen. Het hof zal dan ook met deze omstandigheid geen rekening houden bij het vaststellen van
de betalingsverplichting.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin
zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. J.D.L. Nuis en mr. S. Clement, in tegenwoordigheid
van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof
van 28 mei 2019.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]