In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis vernietigd en een nieuwe beslissing genomen. De rechtbank had de veroordeelde verplicht tot betaling van €33.088,50, terwijl het openbaar ministerie aanvankelijk een bedrag van €93.776,- had gevorderd.
Tijdens het hoger beroep hebben de advocaat-generaal en de raadsman van de veroordeelde overeenstemming bereikt over een lagere betalingsverplichting van €7.000,-. Het hof heeft deze schikking in de uitspraak opgenomen en benadrukt dat het hier niet gaat om een schikking in de zin van artikel 511c Sv, maar om een door het hof bekrachtigde overeenkomst na vernietiging van het vonnis.
Het hof heeft vastgesteld dat partijen voldoende en duidelijke informatie hebben uitgewisseld en zonder dwang tot de overeenkomst zijn gekomen. Vervolgens heeft het hof de ontnemingsmaatregel opgelegd tot betaling van €7.000 aan de Staat. De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het hof op 16 april 2019.