Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief Ikomt Eigen Haard op tegen onderdelen van de vaststellingen onder 1.20 en 1.22. Zij stelt – ten aanzien van 1.20 – dat niet [geïntimeerde] maar zijzelf de gemeente Amsterdam (verder: de gemeente) heeft verzocht “mee te denken over een oplossing”. [geïntimeerde] betwist dat. Voor de beoordeling van de zaak mist deze kwestie elke relevantie, reden waarom hierop niet verder wordt ingegaan. Verder stelt Eigen Haard – ten aanzien van 1.22 – dat de elektrische installatie van de hennepteelt aanvankelijk was afgekeurd. Wat daarvan zij (ook dit is voor de beoordeling niet van belang), Eigen Haard bestrijdt niet dat die installatie op 27 januari 2017 aan de Nen-normen voldeed. De bestreden vaststelling is dus correct. De vastgestelde feiten zijn (voor het overige) niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt.
3.De beoordeling
de grieven II tot en met IVbetoogt Eigen Haard, kort gezegd, dat de beslissing van de kantonrechter om de vorderingen af te wijzen onjuist is, evenals de gronden waarop die beslissing berust. Eigen Haard betoogt dat haar vorderingen alsnog moeten worden toegewezen, met dien verstande dat zij thans een andere verklaring voor recht vordert dan in eerste aanleg, namelijk dat [geïntimeerde] in strijd handelt met de wet en/of zijn huurovereenkomst door meer dan vijf hennepplanten in de woning te kweken. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.
samples. Het BMC heeft te kennen gegeven dat het een cannabisplant heeft met een soortgelijk profiel als de
samplesdie [geïntimeerde] heeft aangeleverd, dat het meer
samplesnodig heeft om verder onderzoek te kunnen verrichten en dat het vijftien dagen nodig heeft om nieuwe
samplesvan [geïntimeerde] te analyseren. [geïntimeerde] heeft dit onderzoek echter (ten onrechte) niet willen afwachten maar vonnis gevraagd. Eigen Haard voegt hieraan toe dat “er ten tijde van het wijzen van het vonnis inderdaad geen alternatieve mogelijkheid bestaat”, maar dit is, zo begrijpt het hof, volgens Eigen Haard te wijten aan voormelde opstelling van [geïntimeerde] . Eigen Haard stelt voorts dat partijen na het bestreden vonnis hebben afgesproken, voor zover thans van belang, dat [geïntimeerde] meer
sampleszal aanleveren aan het BMC opdat alsnog kan worden onderzocht of het mogelijk is cannabis te produceren met een vergelijkbare werking als de door [geïntimeerde] geteelde. Namens [geïntimeerde] is echter meegedeeld dat deze
samplesniet kunnen worden aangeleverd omdat [geïntimeerde] nog herstellende was van een mislukte oogst. Eigen Haard meent dat [geïntimeerde] gehouden is en was die
samplesaan het BMC aan te leveren. Pas als dat is gebeurd en is gebleken dat het BMC geen voor [geïntimeerde] passende cannabis kan kweken, heeft [geïntimeerde] alle mogelijke wegen bewandeld om eigen kweek te voorkomen, zo begrijpt het hof Eigen Haard.
samplesaan te leveren. Wat Eigen Haard daarover in haar akte uitlating van 19 februari 2019 (sub 5) opmerkt is in dit verband onvoldoende. Verder moge het zo zijn dat het BMC (slechts) vijftien dagen nodig heeft om de door [geïntimeerde] aangeleverde
sampleste analyseren, daarmee is geenszins gegeven dat het BMC voor [geïntimeerde] geschikte cannabis zal kunnen ontwikkelen, laat staan op korte termijn. De stelling van [geïntimeerde] dat dit een kwestie van jaren is, heeft Eigen Haard in ieder geval niet althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, evenmin als de stelling van [geïntimeerde] dat hij dergelijke cannabis niet zal kunnen betalen.
niet anders. De omstandigheden van [geïntimeerde] zijn bovendien zo specifiek en uniek, dat het niet waarschijnlijk is dat door dit vonnis precedentwerking zal ontstaan.”