ECLI:NL:GHAMS:2019:2116

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2019
Publicatiedatum
26 juni 2019
Zaaknummer
23-001091-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis woninginbraak en bedreiging ondanks betwisting herkenning en verklaringen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd dat verdachte schuldig is aan woninginbraak en bedreiging. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de herkenningen op camerastills door vier verbalisanten en stelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte de dader was. Ook werd vrijspraak gevraagd vanwege tegenstrijdigheden in verklaringen over het tijdstip van bedreiging.

Het hof oordeelde dat de camerabeelden van hoge kwaliteit waren en dat de herkenningen door de vier verbalisanten betrouwbaar zijn, mede omdat zij de verdachte regelmatig persoonlijk kenden. Het ontbreken van herkenning van een tweede persoon en het niet aantreffen van kledingstukken bij de verdachte deden hieraan niet af. Ook het feit dat de telefoon van verdachte geen zendmast in Zaandam aanstraalde sluit niet uit dat verdachte zich daar bevond.

Ten aanzien van de bedreiging stelde het hof dat het verschil in verklaringen tussen de aangever en de getuige van ondergeschikt belang is. Het dossier bevat voldoende bewijs voor de tenlastegelegde bedreiging. Het hof voegde artikel 63 Sr Pro toe aan de toepasselijke wettelijke voorschriften en vulde de bewijsoverwegingen aan, maar bevestigde het vonnis van de politierechter.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 25 juni 2019. De raadsman van verdachte had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 22 maart 2017 van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling voor woninginbraak en bedreiging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001091-17
Datum uitspraak: 25 juni 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer
15-871726-16 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres],
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging aanvult. Voorts vult het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften aan met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Bewijsoverwegingen

Feit 1
De raadsman heeft de (betrouwbaarheid van de) herkenningen van de verdachte door vier verbalisanten betwist op de volgende gronden. In algemene zin bestaat altijd enige ruimte voor twijfel en neemt men slechts gelijkenissen waar. De waarnemingen kunnen om die reden slechts als ondersteunende factor voor overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen dienen. Dergelijk (steun)bewijs bestaat in dit geval niet. De tweede persoon op de
stillsin het dossier is niet herkend en dus kan niet worden vastgesteld dat het gaat om een bekende van de verdachte. Daarnaast zijn de kleding en het petje van de eerste persoon, die de verbalisanten herkennen als de verdachte, niet tijdens een huiszoeking bij de verdachte aangetroffen. Onderzoek aan de telefoon van de verdachte toont evenmin aan dat deze telefoon ten tijde van het delict een zendmast in Zaandam heeft aangestraald.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de aangever en diens moeder pas na het bekijken van de camerabeelden melding hebben gemaakt van diefstal van de (waargenomen) tassen van Albert Heijn en Didato, waarmee de vermeende inbrekers de woning hebben verlaten. Gelet op het voorgaande kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat deze personen verantwoordelijk zijn voor de gepleegde inbraak.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt als volgt.
De desbetreffende
stillsin het dossier zijn van zeer goede kwaliteit en de betrokken persoon kijkt op een aantal hiervan recht in de camera. Vier verbalisanten hebben de persoon op de
stillsin het dossier als de verdachte herkend. De waarnemingen van de vier verbalisanten zijn afzonderlijk van elkaar gedaan en geverbaliseerd, waarbij is vermeld dat de verbalisanten de verdachte voordien met een zekere regelmaat in persoon hebben gezien en/of gesproken. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal of aan de herkenningen. De omstandigheden dat de andere persoon op de
stillsniet is herkend en de kleding van de (als verdachte herkende) persoon op de
stillsniet in de woning van de verdachte is aangetroffen, doen hieraan niet af. Het feit dat de telefoon van de verdachte geen zendmast in Zaandam heeft aangestraald ten tijde van het delict, sluit geenszins uit dat de verdachte zich toen wel in Zaandam bevond.
De aangever heeft verklaard dat tassen van Albert Heijn, Questo en Didato waren weggenomen. Nadat de aangever was verteld dat de Questo-tas niet op de camerabeelden te zien was, heeft de aangever verklaard dat het dan – naast de tas van Albert Heijn – om de tas van Didato moest gaan. Het verweer op dat punt mist dus feitelijke grondslag.
Feit 2
De raadsman heeft vrijspraak bepleit op de grond dat de aangever en getuige [getuige] over verschillende momenten en daarmee niet over hetzelfde voorval hebben verklaard, nu de bedreigingen volgens de aangever zijn gedaan alvorens de politieagenten de cel van de verdachte betraden en dit volgens [getuige] pas daarna is gebeurd.
Het hof verwerpt dit verweer, nu het door de raadsman genoemde verschil tussen de verklaringen van de aangever en die van getuige [getuige] van ondergeschikt belang is en het dossier voldoende bewijs van de tenlastegelegde bedreiging bevat.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.M. van Woensel en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2019.
mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
[…]