Uitspraak
1. voor recht zal verklaren (primair) dat Montis Holding het auteursrecht heeft op de stoelen Charly en Chaplin en op de hoes voor deze stoelen en dat Klaver inbreuk maakt op deze auteursrechten en onrechtmatig jegens Montis handelt, inbreuk maakt op de persoonlijkheidsrechten van de maker van de stoelen en hoes, inbreuk maakt op de merkrechten van Montis, ongeoorloofde mededinging pleegt en zich schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, dan wel (subsidiair) dat Klaver onrechtmatig jegens Montis handelt door slaafse nabootsingen van de stoelen en hoes te produceren en in de handel te brengen;
5. Klaver te veroordelen in vergoeding van de door Montis gemaakte proceskosten, op de voet van artikel 1019h Rv, waaronder de kosten van het beslag en de nakosten.
2.Feiten
grief 2komt Montis op tegen de vaststelling van de rechtbank dat Klaver de door haar gestoffeerde stoelen soms herstelt. Montis stelt dat Klaver bij verkoop van de stoelen de herstellingswerkzaamheden niet soms, maar altijd uitvoert. Het hof komt hierop in het navolgende terug.
3.Beoordeling
grieven 3 en 6voert Montis aan dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.8 ten onrechte haar beroep op de volle beschermingsduur van 70 jaar heeft ontzegd en ten onrechte deze bescherming op grond van de BC heeft beperkt tot 25 jaar. Met
grieven 4 en 5voert Montis aan dat de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.7 het in de BC voorziene stelsel onjuist heeft uitgelegd en toegepast, althans dat de uitkomst van een maximum beschermingsduur van 25 jaar in strijd is met Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (Pb L 290/9; hierna de Beschermingstermijnrichtlijn), dan wel in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van artikel 18 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU).
Grief 7van Montis is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de hierop gebaseerde vorderingen.
grief 9komt Montis op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vorderingen op grond van slaafse nabootsing. Tevens beroept zij zich in beroep op ongeoorloofde mededinging (oneerlijke handelspraktijken) en misleidende reclame (in de zin van artikel 6:194 BW Pro).
grief 8komt Montis op tegen de afwijzing van de overige nevenvorderingen. De rechtbank wees deze overige nevenvorderingen af omdat niet gesteld of overigens aannemelijk is geworden dat Klaver meer niet-originele exemplaren in het verkeer heeft gebracht of thans in voorraad heeft dan de aan Montis afgeleverde stoel en aangetroffen poef. Ook hier onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank. Dat niet is uit te sluiten dat Klaver meer niet-originele exemplaren op de markt heeft gebracht, zoals Montis stelt, is onvoldoende om tot toewijzing van deze nevenvorderingen te komen. Dit geldt eens te meer nu Montis ook bij pleidooi in beroep – bijna 5 jaar na het wijzen van het vonnis door de rechtbank – geen enkel ander geval heeft kunnen aandragen waarbij door Klaver een niet-origineel exemplaar van de Charly op de markt zou zijn gebracht. Grief 8 faalt.
grief 10komt Montis op tegen de compensatie door de rechtbank van de proceskosten. Nu alle voorgaande grieven van Montis falen en zij in beroep in het ongelijk wordt gesteld, slaagt ook deze grief niet.