ECLI:NL:GHAMS:2019:2388

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2019
Publicatiedatum
15 juli 2019
Zaaknummer
200.180.367/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:89 BW
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenlease: waardering en verrekening van uitgeleverde aandelen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep in een civiel geschil tussen [appellant] en Dexia Nederland B.V. betreffende effectenleaseovereenkomsten die door het hof rechtsgeldig zijn vernietigd. Het geschil richt zich op de waardering van de uitgeleverde aandelen en de verrekening van opbrengsten na de vernietiging.

Het hof heeft in een eerder tussenarrest de vernietiging van drie leaseovereenkomsten bevestigd en [appellant] gevraagd aan te geven welke aandelen hij nog bezit en wat de waarde daarvan is op de dag van vernietiging of verkoop. [appellant] stelde dat bepaalde aandelen na de vernietigingsdatum zijn verkocht en overhandigde verkoopbewijzen. Dexia betwistte enkele waarderingen en stelde dat bij de aandelen Unilever moet worden uitgegaan van een verkoopwaarde gelijk aan het door Dexia verschuldigde bedrag.

Het hof acht nadere toelichting noodzakelijk over de door Dexia genoemde aandelensplitsingen en waardebepalingen, en geeft partijen gelegenheid om hierover akten uit te wisselen. Ook wordt een nadere berekening van de terugbetalingsverplichting verlangd, waarbij rekening moet worden gehouden met het aandeel van de Unilever-aandelen in het totale aankoopbedrag.

De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 20 augustus 2019, waarbij het hof partijen tevens adviseert een schikking te overwegen om verdere proceshandelingen te voorkomen.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nadere aktewisseling over waardering en aandelensplitsingen, met rolzitting op 20 augustus 2019.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.180.367/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 3239802 DX EXPL 14-319
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juli 2019
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.
Op 4 december 2018 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tussenarrest.
Vervolgens hebben beide partijen een akte genomen.
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2.Beoordeling

2.1
Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist.
2.2
In het tussenarrest is - kort weergegeven en voor zover van belang - beslist dat de leaseovereenkomsten van 25 maart 1998, 30 september 1999 en 7 maart 2001 (in het tussenarrest aangeduid met het cijfer II, III en IV) rechtsgeldig zijn vernietigd op de voet van art. 1:89 BW Pro. [appellant] is in de gelegenheid gesteld zich bij akte ten aanzien van leaseovereenkomst I erover uit te laten welke van de desbetreffende aandelen hij nog onder zich heeft, met overlegging van relevante documentatie, zoals afschriften van zijn beleggingsrekening, alsmede zich uit te laten over de waarde van de verkochte aandelen op de dag van vernietiging, of op de dag van verkoop indien de verkoop eerder heeft plaatsgevonden. Dexia is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
2.3
Bij akte van 10 januari 2019 heeft [appellant] het volgende gesteld. [appellant] heeft de aandelen niet meer in zijn bezit. Ten aanzien van de aandelen Aegon, Koninklijke Olie, TNT Post Groep en KPN stelt [appellant] , onder overlegging van de verkoopbewijzen (productie 6), dat deze aandelen zijn verkocht ná de datum van vernietiging, 15 november 2005, zodat de in het tussenarrest bedoelde uitkering in geld dient te worden bepaald op de verkoopwaarde op 15 november 2005. Voor wat betreft de aandelen Unilever stelt [appellant] dat hij niet heeft kunnen achterhalen wanneer deze zijn verkocht. Bij gebrek aan informatie moet volgens [appellant] worden uitgegaan van de waarde op de dag van vernietiging. [appellant] voert in dit verband nog aan dat de koers van de aandelen Unilever in de periode tussen de overname door [appellant] (8 maart 2004) en de vernietiging (15 november 2005) niet hoger is geweest dan € 60,80, zodat ook die hypothetische opbrengst de restschuld nimmer zou hebben opgeheven.
2.4
Dexia heeft gereageerd bij antwoordakte van 5 februari 2019. Ter zake van de aandelen Aegon, Koninklijke Olie, TNT Post Groep en KPN is Dexia het eens met [appellant] , met dien verstande dat de waarde van de aandelen TNT Post Groep op 15 november 2005 niet € 21,42, maar € 21,96 was. Verder houdt de berekening van [appellant] volgens Dexia ten onrechte geen rekening met de splitsing van de aandelen Koninklijke Olie en KPN op respectievelijk 20 juli 2005 en 19 april 2004. De totale verkoopopbrengst van de hiervoor genoemde aandelen bedroeg € 10.376,82, van welk bedrag bij de bepaling van de totale omvang van haar terugbetalingsverplichting moet worden uitgegaan, aldus Dexia. Wat betreft de aandelen Unilever betoogt Dexia dat, nu [appellant] niet heeft kunnen achterhalen wanneer en tegen welke waarde hij de desbetreffende aandelen heeft verkocht, er van moet worden uitgegaan dat de verkoopopbrengst van die aandelen in ieder geval gelijk is aan het door Dexia verschuldigde bedrag. Dat betekent volgens Dexia dat zij wat betreft die aandelen niets meer aan [appellant] is verschuldigd.
2.5
Het hof overweegt als volgt. Ter zake van de door Dexia gestelde splitsing van de aandelen Koninklijke Olie en KPN acht het hof zich nog onvoldoende voorgelicht. [appellant] heeft ook nog geen gelegenheid gehad zich hierover uit te laten. Hetzelfde geldt voor de waarde van de aandelen TNT Post Groep op 15 november 2005; [appellant] en Dexia noemen hier verschillende bedragen. Het hof zal Dexia in de gelegenheid stellen bij akte de gestelde aandelensplitsingen en de gehanteerde waarde van de aandelen TNT Post Groep nader toe te lichten, waarna [appellant] bij akte mag reageren.
2.6
Het hof acht een nadere aktewisseling ook aangewezen in verband met het volgende. Op de datum van aankoop, 7 maart 2001, maakte het aankoopbedrag van de aandelen Unilever van € 1.602,12 24% uit van het totale aankoopbedrag van € 6.614,40, zo volgt uit de schriftelijke leaseovereenkomst die als productie 1.4 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht. Als gevolg van het ontbreken van de verkoopgegevens van de aandelen Unilever komt van het bedrag dat Dexia als gevolg van de vernietiging aan [appellant] terug zou moeten betalen (bestaande uit de inleg en het bedrag dat bij de uitlevering van de aandelen is betaald, dus zonder rekening te houden met de opbrengsten van de aandelen Aegon, Koninklijke Olie, TNT Post Groep en KPN die Dexia in verrekening kan brengen) hetzelfde percentage van 24% niet voor terugbetaling in aanmerking. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen bij de hiervoor bedoelde nadere akte te berekenen tot welke uitkomst het voorgaande leidt, eerst Dexia en dan [appellant] .
2.7
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Het hof geeft partijen nogmaals in overweging te bezien of zij ter voorkoming van verdere proceshandelingen een schikking kunnen bereiken.

3.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 20 augustus 2019 met het in r.o. 2.5 en 2.6 genoemde doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.