ECLI:NL:GHAMS:2019:2639
Gerechtshof Amsterdam
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schorsing van partneralimentatie en boedelverdeling na echtscheiding
Partijen zijn in 2014 in Indonesië gehuwd en hun huwelijk is op 29 maart 2019 ontbonden door de rechtbank Amsterdam. De rechtbank bepaalde de partneralimentatie voor de vrouw op € 900 per maand en legde de verdeling van de gemeenschap van goederen vast, waarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.
De man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht tevens om schorsing van de werking ervan, stellende dat de vrouw onvolledige opgave deed van activa binnen de gemeenschap en dat er risico bestond dat zij geld zou wegsluizen naar Indonesië, waardoor executie van een regresvordering onmogelijk zou worden. De vrouw betwistte deze gronden en stelde dat de rechtbank de beschikking zorgvuldig had genomen en dat de man onvoldoende belang had bij schorsing.
Het hof oordeelde dat de brief van de man met nieuwe gronden buiten beschouwing moest blijven vanwege strijd met de twee-conclusieregel. Bij belangenafweging vond het hof dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een kennelijke juridische of feitelijke misslag of van een noodtoestand die schorsing zou rechtvaardigen. Het verzoek tot schorsing van de partneralimentatie en de boedelverdeling werd daarom afgewezen.
De beslissing over de proceskosten werd aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak, waarvan de behandeling op een later tijdstip zal worden voortgezet.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de beschikking af.